Opleidingsquote: veelgestelde vragen

In actielijn 1 van het actieprogramma Zonder Zorg 2020 hebben we het over een opleidingsquote:
Om de personeelsvoorziening in de sector te verhogen is het op de eerste plaats nodig de opleidingscapaciteit te verhogen. De meeste zorgorganisaties verrichten al inspanningen op dit gebied maar een analyse wijst uit dat de opleidingsinspanning (stages, opleidingsplaatsen) per organisatie sterk uiteenloopt. Uit de analyse blijkt tevens dat een opleidingsquote van 15% wenselijk en haalbaar is. Dit betekent dat een organisatie op elke 100 FTE zorginhoudelijke medewerkers 15 FTE opleidingsplaatsen (BOL, BBL, duaal) organiseert.

De algemene doelstelling is dat zorgorganisaties waar nodig hun opleidingsinspanning verhogen. Het opleidingsquote van 15% is daarbij het uitgangspunt.

Hieronder staan veelgestelde vragen over de opleidingsquote. De pagina wordt aangepast als er meer vragen zijn of de antwoorden onvoldoende duidelijk zijn.

1. Welke opleidingsplaatsen tellen mee voor de quote?

We gaan uit van het totaal aantal fulltime-eenheden (fte) aan opleidingsplaatsen voor de initiële beroepsopleidingen binnen Zorg & Welzijn op mbo- en hbo-niveau. Het betreft opleidingsplaatsen voor alle varianten in leerweg. Dus BOL, BBL, Voltijd, Duaal e.d.

Bij de berekening van het totaal aantal fte opleidingsplaatsen hanteren we het rekenmodel van het stagefonds. Daarbij bedraagt een fte opleidingsplaats
– 1280 uur per studiejaar voor BBL/Duale opleidingen en
– 1440 uur voor BOL/fulltime opleidingen.
Per opleiding wordt het aantal uren gedeeld door het aantal uren van een volledige stageplaats (1280 of 1440).

Bijvoorbeeld: zorginstelling A heeft 10 stagiaires met een BBL-opleiding die ieder 800 uur stage hebben gelopen. Het totaal aantal fte opleidingsplaatsen bedraagt dan 8000/1280 = 6,25.

2. Wat wordt verstaan onder ‘zorginhoudelijke medewerkers’?

Zorginhoudelijke medewerkers zijn medewerkers in het primair proces die direct voorzien in de behoefte van de cliënt aan begeleiding, verzorging, verpleging, behandeling, opvoeding en voeding. Uitgesloten zijn dus de niet direct cliënt-, patiënt- of bewonergebonden functies. Eén fte medewerker staat voor een werkweek van gemiddeld 36 uur.

3. Hoe is deze opleidingsquote tot stand gekomen?

In 2016 hebben de VVT-organisaties in de arbeidsmarktregio Zuidoost-Brabant hun opleidingscapaciteit in beeld gebracht d.m.v. een inventarisatie van het aantal opleidingsplaatsen. Uit de inventarisatie van de BBL en Duale opleidingsplaatsen bleken zij een gemiddelde opleidingsquote van 9% te behalen, dat wil zeggen dat zij op elke 100 zorgmedewerkers gemiddeld 9 BBL of Duale leerlingen in dienst hadden. Op basis van dit cijfer hebben we het quote van 15% vastgesteld.

4. Is deze opleidingsquote haalbaar?

15% is een ambitieuze doelstelling, daarvan zijn we ons bewust. Maar ambities passen bij dit plan en zonder ambitieuze doelstellingen bestaat het risico dat de problemen onvoldoende worden aangepakt.

Bij de vaststelling van de 9% quote in de regio Zuidoost zijn enkel de BBL en Duale opleidingsplaatsen meegeteld. Gemeten over de gehele provincie wordt ongeveer 30% van de leerlingen in een BBL-variant opgeleid en ongeveer 70% in een BOL-variant. Omdat de 15% opleidingsquote zowel BBL, Duale én BOL opleidingsplaatsen omvat zijn we van mening dat de quote haalbaar is. Dit bleek ook uit de inventarisatie in de regio Zuidoost; de 15% opleidingsquote werd door een enkele organisatie al behaald.

versie 29.06.17 Actieplan Zonder Zorg 2020